In Huize Glorieux in Eindhoven, is in de nacht van 11 mei
overleden, emeritus-pastoor Ton Sanders. Hij werd 91 jaar. Geboren en getogen
in het centrum van Helmond, werd hij (net als zijn oudere broer) priester van
ons bisdom en droeg zijn eerste Mis op in de Lambertuskerk, in 1955. Hij werkte
op diverse plaatsen in ons bisdom, maar de langste tijd als rector van het St.
Jozefziekenhuis in Deurne, en na zijn vroege pensionering aldaar nog kort als
pastoor in Vlierden. Na zijn emeritaat woonde hij op een appartement in onze
parochie en bleef hij, zolang zijn gezondheid het toeliet, assisteren in onze
parochie en daarbuiten. Vanwege zijn afnemende gezondheid verhuisde hij naar
een verpleeghuis voor religieuzen in Eindhoven, waar hij na een kort ziekbed,
ten gevolge van een Corona-besmetting, overleed.
Wij kennen pastoor Sanders in onze parochie als een
gedreven en gelovige priester, die op zijn oude dag nog vol vuur kon zijn, met
zingen, preken en spreken. Hij leefde in de geest van de charismatische
vernieuwing, vanuit de kracht van de Heilige Geest, en dat droeg hij ook uit.
Wij zijn dankbaar voor zijn inzet en toewijding, en het delen van zijn geloof,
ook voor onze parochie.
Als priesterzoon van onze Lambertusparochie gaan wij hem
(overeenkomstig zijn eigen wens), vanuit de Lambertuskerk begraven rond de
Calvarieberg op de begraafplaats aan de Molenstraat. Helaas moeten wij de
uitvaart, vanwege de coronamaatregelen, in besloten kring doen plaatsvinden.
Wij kunnen u daarom niet massaal uitnodigen voor de viering.
Maar laten wij in de geest van Ton, vol vertrouwen op
Jezus en de verrijzenis, voor hem bidden, dat hij nu in de hemel met zijn Heer
mag leven voor eeuwig.
Op deze vijfde zondag horen we Jezus zeggen, dat wie Hem volgt als 'de weg, de waarheid en het leven', met Jezus mag gaan naar de plaats in het huis van de Vader, de plaats die Jezus voor ons heeft bereid. Wij hoeven daarom niet bang of ongerust te zijn, ook niet in deze rare tijd, want Jezus' belofte geldt, op voorwaarde dat we ons volledig aan Hem toevertrouwen. Jezus, onze enige weg naar de hemel en de enige wijze om de Vader te zien. Jezus, onze waarheid, want we geloven Hem op zijn woord, Hij is het Woord zelf. Jezus, het leven, wij mogen met Hem sterven om ook met Hem te verrijzen tot eeuwig leven.
Eerste Lezing(Handelingen
6, 1-7)
Toen in die dagen het aantal leerlingen steeds toenam,
begonnen de Hellenisten tegen de Hebreeën te morren, omdat bij de dagelijkse
ondersteuning hun weduwen achtergesteld werden. De twaalf riepen nu de
leerlingen in vergadering bijeen en zeiden: “Het past niet dat wij het woord
Gods verwaarlozen door de zorg voor de ondersteuning. Ziet dus uit, broeders,
naar zeven mannen uit uw midden, van goede faam, vol van geest en wijsheid. Hen
zullen wij dan met dit ambt bekleden, terwijl wij onszelf blijven wijden aan
het gebed en de bediening van het woord.” Dit voorstel vond instemming bij de
gehele vergadering en zij kozen Stefanus, een man vol geloof en heilige geest,
Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit
Antiochië. Dezen werden aan de apostelen voorgedragen, die na gebed hun de
handen oplegden. Het woord Gods breidde zich uit en het aantal leerlingen in
Jeruzalem vermeerderde sterk; ook een groot aantal priesters gaf zich gewonnen
aan het geloof.
TussenzangPs.
33 (32).1-2, 4-5, 18-19
Refrein: Geef ons, Heer, uw barmhartigheid, zoals wij op U
vertrouwen.
Jubelt, gerechtigen, voor de Heer wie vroom is dient Hem te
loven. Eert dan de Heer met citerspel, en speelt voor Hem op de harp.
Oprecht is immers het woord van de Heer en al wat Hij doet
is betrouwbaar. Recht en gerechtigheid heeft Hij lief, de aarde is vol van
zijn mildheid.
Maar het is God die zijn dienaars bewaakt, hen die op zijn
gunst vertrouwen. Dat Hij hen redden zal van de dood, bij hongersnood hen zal
voeden.
Tweede Lezing (1
Petrus 2, 4-9)
Dierbaren, Treedt toe tot de Heer, de levende steen, door de
mensen verworpen, maar uitverkoren en kostbaar in het oog van God. Laat ook
uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel. Draagt
als een heilige priesterschap geestelijke offers op, die welgevallig zijn aan
God door Jezus Christus. Daarom staat er in de Schrift: “Ik leg in Sion een
steen, een uitverkoren, kostbare hoeksteen. En wie op Hem vertrouwt, zal niet
worden teleurgesteld.” Kostbaar, dat geldt voor u die gelooft. Maar voor de
ongelovigen geldt: De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, die is de
hoeksteen geworden, maar ook “een steen waaraan zij zich stoten, een rots
waarover zij struikelen.” Zij stoten zich, omdat zij het woord weigeren te
gehoorzamen; en daartoe waren zij ook bestemd. Maar gij zijt een uitverkoren
geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk,
bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis
heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht.
Alleluia
Alleluia. Ik ben de weg, de waarheid en het leven, zegt de
Heer. Niemand komt tot de Vader, tenzij door Mij. Alleluia.
Evangelie (Johannes
14, 1-12)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Laat uw hart
niet verontrust worden. Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van
mijn Vader is ruimte voor velen. Ware dit niet zo dan zou Ik het u hebben
gezegd, want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden. En als Ik ben
heengegaan en een plaats voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij
Mij, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben. Gij weet waar Ik heenga en ook de weg
daarheen is u bekend.” Tomas zei tot Hem: “Heer, wij weten niet waar Gij
heengaat: hoe moeten wij dan de weg kennen?” Jezus antwoordde hem: “Ik ben de
weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij. Als
gij Mij zoudt kennen, zoudt gij ook mijn Vader kennen. Nu reeds kent gij Hem en
ziet gij Hem.” Hierop zei Filippus: “Heer, toon ons de Vader; dat is ons
genoeg.” En Jezus weer: “Ik ben al zo lang bij u en gij kent Mij nog niet,
Filippus? Wie Mij ziet, ziet de Vader. Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de
Vader? Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden
die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar het is de Vader die, blijvend in
Mij, zijn werk verricht. Gelooft Mij: Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij.
Of gelooft het anders omwille van de werken. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie
in Mij gelooft, zal ook zelf de werken doen die Ik doe. Ja, grotere dan die zal
hij doen, omdat Ik naar de Vader ga.”
Voor wie iets meer wil nadenken over de betekenis van de
kerk als heilige plaats, en de liturgie als heilige tijd, schreef pastoor Seidel een blog op zijn eigen pagina, klik HIER. Voor degenen die iets meer achtergrond
hebben in theologie en filosofie wellicht wel te volgen...
Rechts: heilige plaats, waarlijk, iedereen kan zien: daar woont de Heer.
In overleg met het Kerkwachtersgilde, dat elk jaar de openstelling van de Lambertuskerk verzorgt en rondleidingen verzorgt, is besloten dit seizoen de kerk niet te openen op woensdag- en zaterdagmiddag. Wij willen voorkomen dat er kwetsbare mensen risico lopen door zonder dringende reden (toerisme) de kerk te bezoeken.
Wij hopen dat we in 2021 weer normaal kunnen omgaan met elkaar en weer een Open Kerk kunnen realiseren.
Waarschijnlijk moeten wij nog een langere tijd elkaar missen, omdat we niet kunnen samenkomen, of in ieder geval nog langer anderhalve meter afstand moeten houden. Dat raakt ons allen diep.
Anderzijds hebben we ook een tijd van bezinning, waarin we ons mogen afvragen: moeten we wel terugkeren naar dat oude normaal? Of is het ook een tijd van nieuwe keuzes maken, een nieuwe toekomst, een nieuw normaal op de manier die God van ons mag verwachten? Een nieuwe periode kan ook een nieuw verlangen opwekken naar normalisering waarin het beter is. God laat ons niet in de steek, maar beproeft ons om naderhand méér met Hem verbonden te zijn. Moeten wij deze crisis niet doorstaan, om te kunnen onderscheiden waar het op aan komt?
Laten we het niet alleen met droefheid of mopperend verdragen, maar met een hoopvolle gedachte. God heeft er een bedoeling mee, en we kunnen die in Jezus en het lezen van Gods Woord wellicht ontdekken. Vandaag de lezing van het beroemde Emmausverhaal. Ontmoedigde leerlingen die door Jezus weer op nieuwe gedachten worden gebracht.
Pastoor Seidel heeft voor deze zondag een lange overweging gemaakt, waarin hij de crisis verbindt met de Bijbel en de boodschap dat God ons de weg zal wijzen...
Eerste LezingHand.,
2, 14. 22-28
Op de dag van Pinksteren trad Petrus naar voren met de elf
en verhief zijn stem om het woord tot de menigte te richten: "Gij allen,
Joodse mannen en bewoners van Jeruzalem, weet dit wel en luistert aandachtig
naar mijn woorden. Jezus de Nazoreeër was een man wiens zending tot u van
Godswege bekrachtigd is. Gij kent immers zelf de machtige daden, wonderen en
tekenen, die God door Hem onder u heeft verricht: Hem, die volgens Gods
vastgestelde raadsbesluit en voorkennis is uitgeleverd, hebt gij door de hand
van goddelozen aan het kruis genageld en gedood. Maar God heeft Hem ten leven
opgewekt na de strikken van de dood te hebben ontbonden; want het was
onmogelijk dat Hij daardoor werd vastgehouden. Doelend op Hem toch zegt David:
De Heer had ik voor ogen, altijd door, Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik
niet zou wankelen; daarom is er blijdschap in mijn hart en jubelt mijn mond van
vreugde; ja, ook mijn lichaam zal rust vinden in hoop, omdat Gij mijn ziel niet
zult overlaten aan het dodenrijk en uw heilige geen bederf zult laten zien.
Wegen ten leven hebt Gij mij doen kennen. Gij zult mij met vreugde vervullen
voor uw aanschijn."
Antwoordpsalm Psalm 16
Refrein: Wijs ons, Heer, de weg van het leven.
Behoed mij God, tot U neem ik mijn toevlucht; Gij zijt mijn
Heer, ik erken het, ik vind geen geluk buiten U.
De Heer is mijn erfdeel, de dronk uit de beker, Hij heeft
mijn lot in zijn hand. Ik dank de Heer die mij altijd geleid heeft, Hij spreekt
ook des nachts in mijn hart.
Steeds houd ik mijn ogen gericht op de Heer, ik val niet
want Hij staat naast mij. Daarom ben ik vrolijk en blij van geest, daarom kan
ik rustig gaan slapen.
Mijn ziel laat Gij niet aan het dodenrijk over, Gij levert
uw dienaar niet uit aan het graf. Gij zult mij de weg van het leven wijzen om
heel mijn vreugde te vinden bij U, bestendig geluk aan uw zijde.
Tweede Lezing 1 Petr., 1, 17-21
Dierbaren, God die gij aanroept als Vader, is ook de onpartijdige
rechter over al onze daden; koestert daarom ontzag voor Hem, zolang gij hier in
ballingschap leeft. Gij weet dat gij niet met vergankelijke dingen, zoals goud
en zilver, zijt verlost uit het zinloze bestaan dat gij van uw vaderen had
geërfd. Gij zijt verlost door het kostbaar bloed van Christus, het lam zonder
vlek of gebrek, dat uitverkoren was voor de grondlegging der wereld, maar eerst
op het einde der tijden is verschenen, om uwentwil. Door Hem gelooft gij in
God, die Hem van de doden opgewekt en Hem de heerlijkheid gegeven heeft; daarom
is uw geloof in God tevens hoop op God.
Alleluia
Alleluia. Heer Jezus, ontsluit voor ons de Schriften; doe
ons hart branden terwijl Gij tot ons spreekt. Alleluia.
Evangelie Lc., 24, 13-35
In die tijd waren er twee van de leerlingen van Jezus op weg
naar een dorp dat Emmaus heette en dat ruim elf kilometer van Jeruzalem lag.
Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen. Terwijl zij zo aan het
praten waren en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf op hen toe en Hij liep
met hen mee. Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen. Hij vroeg hun:
"Wat is dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert?" Met
een bedrukt gezicht bleven ze staan. Een van hen, die Kléopas heette, nam het
woord en sprak tot Hem: "Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem,
dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?" Hij vroeg hun:
"Wat dan ?" Ze antwoordden Hem: "Dat met Jezus de Nazarener, een
man die profeet was, machtig in daad en woord in het oog van God en van heel
het volk; hoe onze hogepriesters en overheidspersonen Hem hebben overgeleverd
om Hem ter dood te laten veroordelen en hoe zij Hem aan het kruis hebben
geslagen. En wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging
verlossen ! Maar met dit al is het reeds de derde dag sinds die dingen gebeurd
zijn. Wel hebben een paar vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht; ze
waren in de vroegte naar het graf geweest, maar hadden zijn lichaam niet
gevonden, en ze kwamen zeggen dat zij ook nog een verschijning van engelen
hadden gehad, die verklaarden dat Hij weer leefde. Daarop zijn enkelen van de
onzen naar het graf gegaan en bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden, maar
Hem zagen ze niet." Nu sprak Hij tot hen: "O onverstandigen, die zo
traag van hart zijt in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben !
Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?"
Beginnend met Mozes verklaarde Hij hun uit al de profeten wat in al de
Schriften op Hem betrekking had. Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen,
maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan. Zij drongen bij Hem aan: "Blijf
bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde." Toen ging Hij
binnen om bij hen te blijven. Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij brood, sprak
de zegen uit, brak het en reikte het hun toe. Nu gingen hun ogen open en zij
herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht. Toen zeiden ze tot elkaar:
"Brandde ons hart niet in ons, zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de
Schriften ontsloot?" Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem
terug. Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen. Dezen
verklaarden: "De Heer is werkelijk verrezen, Hij is aan Simon verschenen."
En zij van hun kant vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen
herkend werd aan het breken van het brood.
Het heeft zijne Majesteit behaagd, om ons parochiebestuurslid
Frans van de Leur een koninklijke onderscheiding te geven, niet alleen voor
zijn bestuurswerk, maar ook voor meer dan een halve eeuw koorzang bij het
Sint-Jozefkoor en andere koren, zijn inzet voor de Stichting Draaiorgelmuseum,
kosterswerk, het bestuurswerk voor de Morrisdansgroep en ook zijn inzet voor de
restauratie van de Jozef- en Lambertuskerk door vakschool Sint-Lucas waar Frans
voorheen docent was.
Wij feliciteren hem van harte met deze welverdiende
onderscheiding en danken hem voor de jarenlange inzet!
Vanmorgen is de onderscheiding via Skype door de
burgemeester aangekondigd. Het opspelden en een feestelijke samenkomst volgt na
de lockdowncrisis.
Uw pastoor heeft hem, samen met andere vertegenwoordigers
van de groepen, op gepaste afstand, toegejuicht op het balkon van zijn huis...
Als God ons in deze dagen beproeft, hebben we soms een
gevoel van leegte. Ja, we zullen als land en Kerk moeten veranderen. Dingen
moeten achterlaten, vanzelfsprekendheden, gewoontes. Het wordt een hele
bekeringsweg naar misschien zuiverder en eenvoudiger leven. Het kón ook niet
allemaal maar doordenderen alsof onze aarde nooit zou terugslaan.
Maar het kan
en zál ook een kans zijn om van Hem een ander geluk te ontvangen. Meer van
elkaar houden, zelfs op een zekere fysieke afstand. Meer zorgen, meer genieten
van kleinere dingen. Laten we open staan voor een nieuwe tijd waarin God
plannen met ons heeft. Mooie plannen. Al weten we niet wat die zijn, en moeten
we eerst nog een aantal dingen doorstaan...
Zondag, 19 april, werd de Eucharistieviering op NPO2
vanuit onze eigen Jozefkerk uitgezonden. De viering begont om 10:00 en
vindt plaats zonder aanwezigheid van gelovigen.
Pastoor Seidel was de celebrant, en de zang werd verzorgd
door Jacqueline Huisman met begeleiding door Jan van de Laar.
Via dit medium wensen wij u allen een Zalig Paasfeest, en laten we hoop houden dat het leven van Christus sterker is dan alle angst en lijden.
Pasen is een feest van overwinning op de dood, en dat mag ons mensen vrij maken van alles wat ons bedrukt.
Wij vieren deze dagen in beperkte kring Pasen met de Eucharistie. Op zaterdagavond vieren we de Paaswake in de Jozefkerk en op zondagochtend de viering van de Paasdag.
Wij hopen dat u in de huiselijke kring ook Pasen kunt vieren met de Kerk, bijvoorbeeld door de vieringen op NPO2 te volgen, of op eerste paasdag de livestream vanuit de Lambertuskerk
In die dagen sprak de Heer tot Mozes: "Wat roept gij
Mij toch. Beveel de Israëlieten verder te trekken. Gij zelf moet uw hand opheffen,
uw staf uitstrekken over de zee en ze in tweeën splijten. Dan kunnen de
Israëlieten over de droge bodem door de zee trekken. Ik ga de Egyptenaren
halsstarrig maken zodat zij hen achterna gaan. En dan zal Ik Mij verheerlijken
ten koste van farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners.
De Egyptenaren zullen weten dat Ik de Heer ben, als Ik Mij verheerlijk ten
koste van farao, zijn wagens en zijn wagenmenners." De engel van God die
aan de spits van het leger der Israëlieten ging, veranderde van plaats en
stelde zich achter hen op, tussen het leger van de Egyptenaren en het leger
van de Israëlieten. De wolk bleef die nacht donker zodat het heel de nacht
niet tot een treffen kwam. Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en de
Heer deed die hele nacht door een sterke oostenwind de zee terugwijken. Hij
maakte van de zee droog land en de wateren spleten vaneen. Zo trokken de Israëlieten
over de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts een wand
vormden. De Egyptenaren zetten de achtervolging in; alle paarden van farao,
zijn wagens en zijn wagenmenners gingen achter de Israëlieten aan de zee in. Tegen
de morgenwake richtte de Heer zijn blikken vanuit de wolkkolom en de vuurzuil
op de legermacht van de Egyptenaren en bracht ze in verwarring. Hij liet de
wielen van de wagens scheeflopen zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen.
De Egyptenaren riepen uit: "Laten we vluchten voor de Israelieten, want
de Heer strijdt voor hen tegen ons." Toen sprak de Heer tot Mozes:
"Strek uw hand uit over de zee, dan zal het water terugstromen over de
Egyptenaren en hun wagens en wagenmenners." Mozes strekte zijn hand
uit over de zee en toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone
plaats terug. Daar de Egyptenaren er tegen in vluchtten dreef de Heer hen midden
in de zee. Het water vloeide terug en overspoelde wagens en wagenmenners,
heel de strijdmacht van de farao die de Israëlieten op de bodem van de zee
achterna waren gegaan. Niet één bleef gespaard. De Israëlieten daarentegen
waren over de droge bodem door de zee getrokken, terwijl de wateren links en
rechts van hen een wand vormden. Zo redde de Heer op deze dag Israël uit de
greep van Egypte; Israël zag de Egyptenaren dood op de kust liggen. Toen
Israël het machtige optreden van de Heer tegen Egypte gezien had, kreeg het
volk ontzag voor de Heer; zij stelden vertrouwen in de Heer en in Mozes, zijn
dienaar. Toen hieven Mozes en de Isralieten ter ere van de Heer een lied aan:
TUSSENZANGEx.15,1-6.17-18
REFREIN: De Heer bezing ik, de overwinnaar.
De Heer bezing ik, de overwinnaar, paarden en ruiters dreef
Hij in zee. De Heer is mijn kracht, Hem dank ik mijn redding, de Heer is mijn
God, voor Hem is mijn lied.
De God van mijn vaderen, Hem zal ik prijzen, een machtig
strijder, zijn naam is de Heer.
Farao's wagens, zijn legers verdronken, de Rietzee verzwolg
de keur van zijn volk.
De golven zijn over hen heen geslagen, zij zijn als een
steen in de diepte gestort.Uw hand, Heer, die machtiger is dan de mensen, uw
hand heeft de vijand ten val gebracht,
Gij hebt hen gebracht naar uw eigen bezit, geplant op de
berg waar Gij zelf wilde wonen. De heilige plaats, Heer, die Gij hadt gemaakt:
de Heer zal daar heersen voor altijd en eeuwig.
Lezing(Jes. 54,
5-10.14)
Hij die U schiep, Hij is uw Bruidegom, Hij is uw Schepper;
zijn Naam is: Heer der hemelse machten: Hij wordt genoemd: uw Verlosser,
Israëls heilige, God van geheel de aarde! Een verlaten, zielsbedroefde vrouw
zijt gij, maar de Heer roept U weer bij uw naam. Want -zo zegt uw God- kan
iemand de liefde van zijn jeugd wel verstoten? In een plotselinge opwelling
heb Ik U in de steek gelaten, maar met een grote barmhartigheid zoek ik U weer
op. In een vlaag van toorn heb Ik voor een ogenblik mijn aangezicht van U
afgewend maar -zo spreekt de Heer, uw Verlosser- met een eeuwige liefde ontferm
Ik mij weer over U. Zoals ik ten tijde van Noach gezworen heb dat de wateren
de aarde nooit meer zouden bedekken, zo zweer Ik nu nooit meer vertoornd op U
te zijn, en U nooit meer te bedreigen. Want de bergen mogen wankelen, de
heuvels schudden, maar mijn trouw jegens U zal niet wankelen en mijn verbond
van liefde niet breken, zegt de Heer die U barmhartig is. Gij zult gegrondvest
zijn op gerechtigheid: weet U dus vrij van onderdrukking, gij hebt niets te vrezen!
En vrij van verschrikking: want geen verschrikking zal U ooit nog overvallen!
TUSSENZANGPsalm 30
REFREIN: U zal ik loven, Heer, want Gij hebt mij bevrijd.
U zal ik loven, Heer, want Gij hebt mij bevrijd. Gij hebt
mijn vijanden niet laten zegevieren. Heer, uit het dodenrijk hebt Gij mijn ziel
verlost, Gij hebt mij losgemaakt van die ten grave dalen.
Bezingt de Heer dan met mij, al zijn vromen, en dankt zijn
Naam die hoogverheven is. Zijn toorn duurt kort, maar zijn genade levenslang;
de avond brengt geween, de ochtend blijdschap.
Heer, luister en ontferm U over mij, mijn God, sta mij
terzijde met uw hulp. Gij hebt mijn rouwklacht in een vreugdedans veranderd,
mijn rouwkleed losgemaakt, met blijdschap mij omgord.
Mijn ziel zal U bezingen zonder te verstommen, U zal ik
loven, Heer mijn God, in eeuwigheid.
Lezing(Rom. 6, 3-11)
Broeders en zusters, Gij weet toch, dat de doop waardoor wij
één zijn geworden met Christus Jezus, ons heeft doen delen in zijn dood? Door
de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij een nieuw leven zouden
leiden, zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt.
Zijn wij één met Hem geworden door het beeld van zijn dood, dan moeten wij Hem
ook volgen in zijn opstanding, in de overtuiging dat onze oude mens met Hem
gekruisigd is; daardoor is aan het bestaan in de zonde een einde gekomen, zodat
wij niet langer aan de zonde dienstbaar zijn. Want wie gestorven is, is rechtens
vrij van de zonde. Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij dat
wij ook met Hem zullen leven; want wij weten dat Christus, eenmaal van de doden
verrezen, niet meer sterft: de dood heeft geen macht meer over Hem. Door de
dood die Hij gestorven is, heeft Hij eens voor al afgerekend met de zonde, het
leven dat Hij leeft, heeft alleen met God van doen. Zo moet ook gij uzelf
beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus.
Alleluia
Looft de Heer, want Hij is goed; want eeuwig duurt zijn ontferming.
Evangelie Matteus (28,1-10)
Na de sabbat, bij het aanbreken van de eerste dag der week,
kwamen Maria Magdalena en de andere Maria naar het graf kijken. Plotseling
ontstond er een hevige aardbeving en een engel van de Heer daalde uit de hemel,
kwam naderbij, rolde de steen weg en zette zich daarop neer. Hij straalde als
een bliksemschicht en zijn kleed was wit als sneeuw. De bewakers begonnen van
schrik voor hem te beven en het leven scheen uit hen geweken. De engel sprak de
vrouwen aan en zei: Gij behoeft niet bevreesd te zijn. Ik weet dat gij Jezus
zoekt, de gekruisigde. Hij is niet hier, Hij is verrezen zoals Hij gezegd
heeft; komt zien naar de plaats waar Hij gelegen heeft. Gaat nu terstond aan
zijn leerlingen zeggen: Hij is verrezen van de doden en nu gaat Hij u voor naar
Galilea: daar zult gij Hem zien. Dat had ik u te zeggen. Terstond gingen zij
weg van het graf, met vrees en grote vreugde, en zij haastten zich het nieuws
aan zijn leerlingen over te brengen. En zie, Jezus kwam hen tegemoet en zei:
Weest gegroet. Zij traden op Hem toe, omklemden zijn voeten en aanbaden Hem.
Toen sprak Jezus tot hen: Weest niet bevreesd. Gaat aan mijn broeders de
boodschap brengen dat zij naar Galilea moeten gaan en daar zullen zij Mij zien.